Vorige week heb ik drie kunstenaars moed ingesproken. Kennelijk is het de tijd van het jaar dat de Grote Onzekerheid toeslaat. Bijna letterlijk hadden ze dezelfde uitspraken: “Waar ben ik mee bezig? Niets lukt op dit moment. Wat heb ik te vertellen? Is mijn werk niet te simpel, te makkelijk? Ik ben zo onzeker bezig. Ben ik wel een echte kunstenaar?” Alle persoonlijke kwelmonsters kwamen vorige week uit hun holen gekropen.

Al deze vragen stelt elke kunstenaar zichzelf regelmatig. Wat ben ik eigenlijk aan het doen? In tegenstelling tot elk ander beroep, waarin het volstrekt duidelijk is waar je mee bezig bent en waarom, moet een kunstenaar zichzelf steeds blijven motiveren en zichzelf eraan herinneren waarom hij/zij ook alweer met kunst bezig was. Dingen verzinnen om jezelf aan de gang te houden en het werk verder te ontwikkelen, dat hoort helaas ook bij het maken van kunst.

Het goede nieuws is: dit frustratiemoment is een officiële fase in elk creatief proces, en het komt altijd op een moment waarop je kunst weer gaat groeien. Maar eerst is het letterlijk frustrerend, en houdt het je tegen lekker met je kunst bezig te zijn.

Iedereen bereikt dat punt meerdere keren in zijn kunstenaarsleven. Sommigen elk jaar, anderen om de vijf of tien jaar. Dat verschil heeft meestal te maken met de snelheid waarmee je werkt: iemand die snel en veel werk maakt, heeft er eerder en vaker last van dan iemand die een jaar doet over een werk.

En dan helpt het ook niet mee als je een familieleden, vrienden en collega’s hebt die niet zo’n hoge pet op hebben van wat je maakt. Als mensen je werk niet begrijpen en jij vindt het moeilijk uit te leggen waarom dit werk belangrijk voor jou is, dan slaat de twijfel nog eerder toe.

Als je je zo onzeker voelt, is het lastig om nog te genieten van het maken van kunst, terwijl dat toch het belangrijkst is. Ik geef je drie punten om over na te denken of te doen, om jezelf te kunnen blijven motiveren:

1. Je eigen kunst vind je altijd ‘makkelijk’, gewoon omdat je dat proces in de vingers hebt en er geen moeite meer mee hebt. Het gaat je gemakkelijk af en je vindt het leuk om te doen. Het proces van andere kunstenaars lijkt altijd moeilijker, ingewikkelder en dus interessanter. Maar die andere kunstenaars kijken op dezelfde manier naar jouw werk – dat vinden zij moeilijker en interessanter. Het is een mythe dat het maken van kunst gepaard moet gaan met een ‘worsteling’ of ‘lijden’ en dat het niet leuk mag zijn.

2. Ja, je werk blijft altijd voor verbetering vatbaar. Nee, je bent nooit uitontwikkeld. De onzekerheid die je nu voelt, zal regelmatig terugkomen, juist doordat je bent gegroeid. Je zit op een bepaald punt, je maakt meer van hetzelfde werk, bent toe aan iets nieuws, maar je weet nog niet hoe of wat. Werk dan gewoon door, er komt altijd een nieuw inzicht. Een verdieping van je werk is altijd mogelijk, maar die komt alleen als je bezig blijft. Denken helpt niet of nauwelijks.

3. Wat zorgt ervoor dat je je met het maken van kunst bezighoudt? Dat kan van alles zijn, van ‘zorgen voor meer schoonheid in de wereld’ tot heel persoonlijk ‘lekker spelen met vormen en kleuren, mezelf laten zien’. Beschrijf dit zo uitgebreid mogelijk voor jezelf en lees het regelmatig terug, zeker op momenten dat je je onzeker voelt. Dat is je drijfveer om kunst te maken. Wat doet het maken van kunst met/voor je? Hoe voel je je als je in je atelier aan het werk bent? Wil je je werk exposeren? Verkopen? Schrijf het allemaal op. Schrijf er ook bij wat je in je kunst nog wilt ontwikkelen. Dit alles maakt je sterker in gesprek met anderen over je werk, en je kunt jezelf tijdens onzekere periodes weer oppeppen.

Heb jij vaak zo’n onzekere periode? Of misschien helemaal niet? Ik ben benieuwd.