Een paar jaar na de academie deed ik een cursus die helemaal niets met kunst te maken had. Een tussendoor-opdrachtje tijdens die cursus zorgde ervoor dat ik minstens 15 jaar lang onzeker ben geweest over mijn kunst. Zo snel kan het gaan…

De theorie van die les ging over de linker en rechter hersenhelft, en het verschil daartussen. Je weet het waarschijnlijk wel: de linker hersenhelft is analytisch, rationeel, gaat over woorden en getallen, en de rechter hersenhelft gaat over ruimtelijk denken, creativiteit, kleuren en vormen. De opdracht was om de twee hersenhelften uit te beelden op papier. “Leuk”, dacht ik, want ik had een beeldende opleiding achter de rug, dus beeldende opdrachten vond ik leuk om te doen.

Thuis ging ik enthousiast aan de slag. Ik wilde een collage maken die de tegenstelling liet zien. De linker hersenhelft associeerde ik met rechtlijnig en zwart-wit, de rechter hersenhelft met kleur en grillige vormen. Ik zocht afbeeldingen die daarbij pasten. Ik tekende dikke hoofdletters L en R. De L plakte ik vol met recht geknipte, zwart-witafbeeldingen en de R met grillig gescheurde kleurenafbeeldingen.

Het resultaat maakte me blij. Je zag de tegenstelling nog duidelijker dan ik had verwacht. Op de volgende cursusavond liet ik mijn werkje dan ook trots zien en plakte het op de daarvoor bestemde muur. Ook andere cursisten hingen hun werk erbij. De docente maakte er niet teveel woorden aan vuil, het was tenslotte een onbelangrijk tussenopdrachtje. Ze prees een paar werkjes van medecursisten, maar toen ze bij mijn werk kwam had ze daar geen goed woord voor over. Te bedacht, het had uit mijn hart moeten komen …; de rest hoorde ik niet meer, want ik zonk figuurlijk door de grond.

Later begreep ik dat ze had gewild dat je vooral je rechter hersenhelft de vrije hand gaf, dus daarom was het ‘geklodder’ van de andere cursisten wél goed. Mijn werk was beschouwend, analytisch, en dat was niet de bedoeling. Ik had de opdracht gewoon anders opgevat dan ze bedoelde. Rationeel snapte ik dat, maar op dat moment hoorde mijn onderbewuste: “Je kunt het niet, zie je wel, je hebt dan wel kunstacademie gedaan maar je bent geen echte kunstenaar. Je vindt het dan zelf misschien wel een goed werk, maar kennelijk vindt niemand anders dat. Je bent een fraudeur! Mislukt! Een loser!”

Door die paar zinnen van een docent (die helemaal níets met kunst had), ben ik minstens 15 jaar van slag geweest. Ik had dat toen nog niet door, ik heb de gebeurtenis uit schaamte over mijn ‘mislukken’ diep weggestopt, maar toen ik na jaren ging onderzoeken hoe het toch kwam dat ik altijd zo onzeker over mijn kunst was, kwam de ervaring ineens weer bovendrijven. Het maakte veel voor me duidelijk, en pas toen kon ik weer uit het dal omhoog krabbelen. Kunst maken is altijd al een onzeker proces, en zo’n kleine opmerking kan het fragiele evenwicht doen wankelen of in elkaar laten storten, ook al wordt hij gemaakt door iemand die helemaal niets van kunst weet.

Heb jij ook dit soort ervaringen gehad? Misschien van vroeger, een opmerking van je ouders, of op school door een docent? Of juist kort geleden? Laat het me weten, ik ben heel benieuwd!