In mijn leven heb ik bij verschillende werkgevers heel wat functionerings- en beoordelingsgesprekken gehad. Die bereidde ik altijd goed voor. Ik kreeg de gespreksonderwerpen van tevoren op papier. Dat was altijd een fijne manier om terug te kijken naar de afgelopen periode, naar wat ik had geleerd en wat ik nog kon ontwikkelen. Soms moest ik een ‘POP’ maken, een Persoonlijk Ontwikkel Plan.

Die voorbereidingen vond ik leuk, ik merkte dat ik ervan leerde. Aan de hand van de vragen kreeg ik zelf een goed beeld van belangrijke aspecten van mijn werk en hoe mijn positie daarin was. In het dagelijks leven doe je gewoon wat je moet doen en leef je in de waan van de dag, dus het is heel goed om eens per jaar te bespreken of je eigenlijk wel de goede kant op gaat of dat je moet bijsturen.

Het functioneringsgesprek zelf was meestal een afknapper; de leidinggevende had het gesprek nooit zo goed voorbereid als ik. Maar ik kon mijn vragen kwijt en kreeg vaak nuttige antwoorden waar ik iets aan had om mijn werk beter te doen.

Hoe anders gaat dat bij kunstenaars! Een kunstenaar is zijn eigen opdrachtgever, werkgever en tegelijk ontwerper, uitvoerder en commercieel medewerker. En al die onderdelen moeten door de kunstenaar zelf beoordeeld worden!

Een kunstenaar begint aan een nieuw kunstwerk. Na een poosje ziet hij dat het niet zo wordt als hij had gewild; het dreigt de verkeerde kant op te gaan. Hij verandert iets, voegt iets toe of haalt juist iets weg, waardoor hij hoopt dat het kunstwerk-in-wording zal verbeteren. Een heel subjectieve keuze, vaak gebaseerd op gevoel. Vervolgens moet hij zelf zo objectief mogelijk beoordelen of die aanpassingen hebben geholpen. Daar moet je als kunstenaar wel superflexibel voor zijn!

Het maken van kunst is eigenlijk een aaneenschakeling van keuzes en aanpassingen. Je moet steeds kijken of je werk de goede kant op gaat, of iets een verbetering is of juist niet. Het maken van kunst is dus eigenlijk één groot functioneringsgesprek tussen de kunstenaar en zijn kunstwerk.

Als je een goed kunstwerk in een museum of galerie ziet, lijkt het of het maken ervan heel gemakkelijk was. Alsof dit werk er altijd geweest is, zo vanzelfsprekend lijkt het. Maar zo is het niet. De kunstenaar heeft bij elke keuze tijdens het creatieve proces zelf moeten bepalen of hij de juiste weg koos, zonder enige hulp van buitenaf. Hij moest zelf bepalen wanneer het werk af was. Helemaal in z’n eentje. Dat is heel lastig!

Er is geen checklist die de kunstenaar kan afvinken om te bepalen of een kunstwerk af is en wat er eventueel nog ontbreekt. Er is geen regel die zegt dat als je groen kiest, het een beter kunstwerk wordt dan als je rood neemt. Kunstenaars hebben zó veel vrijheid in het uitvoeren van hun werk, dat het bijna niet te doen is. En niemand die ze helpt in het maken van al die keuzes.

De grote kunst bij het maken van kunst is dus dat je als kunstenaar constant functioneringsgesprekken met jezelf moet voeren. Je moet leren zo objectief mogelijk naar je werk te kijken, je eigen ‘Persoonlijk Ontwikkel Plan’ opstellen. Want pas dan kun je jezelf (en je kunst) ontwikkelen!