Toen ik in de jaren ’80 op de academie zat, was realistische kunst ‘not done’; het was oubollig, of in elk geval niet modern. Het werk dat wij als studenten maakten, was liefst abstract of sterk geabstraheerd. Ik vond dat vreemd, ik snapte niet wat er mis was met figuratief werk. Rembrandt deed tenslotte niet anders.

Er was in die tijd maar één galerie in Amsterdam, in de Spiegelstraat, die moderne realistische kunst verkocht. Die galerie liep als een tierelier, want realistische kunst was dan misschien niet ‘erkend’ door de hoge heren uit de kunstwereld, maar de kunstkopers vonden het wél gaaf en kochten het graag. Ook veel kunstenaars vinden het heerlijk om realistisch te werken.

Pas rond 2003 werd voor het eerst in Amsterdam de kunstbeurs Realisme gehouden, gewijd is aan hedendaagse figuratieve kunst. Wat een verademing! Ineens mocht kunst weer iets voorstellen. Gelukkig is realisme nu weer aardig oké, hoewel de grote musea het nog steeds niet vaak laten zien.

Laatst hoorde ik dat het kunstklimaat van na 1950 tot 1967 met succes sterk beïnvloed is door de Amerikaanse CIA. Het leek me een fabeltje, maar ik kom het nu steeds vaker tegen; er zijn verschillende artikelen en boeken over geschreven. Het beeld dat we hebben van de kunstgeschiedenis uit die tijd is dus het resultaat van een promotiecampagne van de CIA.

Kort gezegd werden met name de abstract-expressionisten, zoals Jackson Pollock en Willem de Kooning, flink gepromoot in het kader van de Koude Oorlog. Men begon expres de sociaal-realistische schilderkunst (bijvoorbeeld van Käthe Kollwitz of boerenfiguren van Van Gogh) te associëren met het propagandistische socialistisch-realisme uit het Oostblok, waar de kunst zwaar gecensureerd werd. De tegenhanger, het abstract expressionisme, werd daarentegen geprezen als ‘individualistisch’ en ‘vrij van ideologie’: in het vrije Westen kan alles. Deze kunst zou symbool staan voor wat er in de communistische landen niet mogelijk was.

De kunstgeschiedenis van de jaren ’50 en ’60 staat dus een beetje op losse schroeven. De kunst is er in die tijd niet ‘mooier’ op geworden. Zou Pollock zonder de geheime steun van de CIA net zoveel succes hebben gehad? Ik denk dat de wortels van de afkeer van de kunst-elite voor realistische kunst ook uit deze tijd stamt. Het zou heel goed kunnen dat zonder de inmenging van de CIA de hedendaagse kunst er heel anders uitgezien zou hebben.

Ik zie abstract niet als ‘beter’ dan figuratief, en andersom geldt precies hetzelfde. Sommige kunstenaars uiten zich gemakkelijker in vormen en kleuren, anderen liever in herkenbare onderwerpen of een combinatie van de twee. Het kan allemaal een lust voor het oog zijn.

Juist in deze vreemde tijd is het belangrijk om de wereld een beetje mooier te maken. Dat kan de wereld zeker gebruiken. Ik roep je dan ook op om in 2024 je best te doen zoveel mogelijk kunst te maken die in jouw ogen supergaaf, inspirerend en opbeurend is.

Trek je vooral niets aan van wat anderen ervan vinden; als jij het supergaaf vindt, weet ik zeker dat er nog veel meer mensen blij zijn met wat je laat zien. Kunst kan hoop geven en emoties vrijmaken. Al help je er maar één persoon mee, dan was het niet voor niets.

Ik wens je een prachtig kustzinnig en creatief 2024 toe!